maandag 1 juli 2013

Neder-L column 55 : Een nieuw lied


Toen Robert Dudley (1533-1588), graaf van Leicester, gedurende de jaren 1585-1587 de aan Spanje opstandige Republiek der Zeven Provinciën landvoogde, werd hij niet alleen door Engelse soldaten vergezeld maar ook door komedianten. Uit ooggetuigenverslagen weten wij dat die Engelse zangers en acteurs – professionals!  hier erg veel succes hadden en met stip de toenmalige Top 40 bestegen. In het album van Aefgen Claesdochter van Giblant (1598-1601) worden verschillende Engelse melodieën genoemd als ‘op de wijze van’: Een nieu may liedeken op een Engels voysken (nr. 3), Op die wyse van Soet Robbertghen (nrs. 7 en 17), Een nieu liedeken op de wys Van d’Engelse fortuyn (nrs. 42 en 65), Een nieuw liedeken op de wyse vanden Engelschen mascerade (nr. 43) en Een nieu liedeken op de wyze Go fro my wynde go et go (nr. 60). Het zou me niet verbazen als dit begrepen moet worden als: Go from my window, go and go. In Engels was men destijds veel minder goed dan in Frans.
Omdat het Hollandse publiek hen niet of slecht verstond, maakten de Engelse acteurs van de nood een deugd en gingen zij voor het theatrale effect. Zij zongen dat het een lieve lust was en speelden dat de stukken eraf vlogen. Dat laatste letterlijk: fameus waren hun zwaardgevechten op het toneel. Tot de nieuwigheden die zij introduceerden behoorde de jigg, een muzikale uitsmijter gezongen door 2 tot 5 personages, die opgevoerd werd na een tragedy of history play, te vergelijken met een sotternie na een abel spel. Een van de meest bekende was Rowland.

In het tweede deel van zijn monumentale Het oude Nederlandsche lied vinden we onder nummer 320, op de wijs van Soet, soet Robbertjen een door Florimond Van Duyse (1843-1910) zélf vervaardigde Nederlandse vertaling van de Duitse navolging O Nachbar lieber Robert van 1603. De Engelse oertekst is namelijk verloren gegaan, en een contemporaine Nederlandse vertaling was onvindbaar. Vandaar deze creatieve oplossing van Van Duyse die hij overigens ook toepaste op het lied van Heer Halewijn die een liedekijn zong ...
     De voor Van Duyse onvindbare Nederlandse Roland is teruggevonden in het album van niemand minder dan Aefgen Claesdochter van Giblant. Op blad 17 verso begint lied 14, geschreven door Hand 2 – die de meeste liedteksten, en vooral in de eerste helft van het album geschreven heeft  zonder wijsaanduiding en slechts voorafgegaan door Een nieu liet een tekst die sprekend lijkt op de vroeg 17e-eeuwse Duitse vertaling van dit Rowland-lied. Zie hier:

Roelant:
O nabeur Robrecht / myn hert is vol van pyn!
Robrecht:
O nabeur Roelant / waerom mach dat toch syn?
Roulant:
Jan koster lieft Margeriette / ende dat is my een smert.
Robrecht:
Weest te vreden goede Roulant / het is toch maer int scherts.

Roulant:
Sy is met hem opt kerchoff!
Robrecht:
O wee ende wat schaet dat?
Roulant:
Sy vryen daer ick vruchte my / sy doen ick weet niet wat!
Robrecht:
Weest te vreden goede Roulant / en volcht toch myn gebodt.
Roulant:
Siet hoe sy tsaemen lopen / nu is myn hert schier doot.

Robrecht:
Licht neder en versteeckt u doch / en hoort toch wat sy sagen.
Roulant:
Neen neen maer ick wil opstaen / en wil den koster wech jaghen!
Robrecht:
Soo verlaet ick u goede Roulant!
Roulant:
O Robrecht hoe syt ghy gesint?
Robrecht:
Myn cloeckheyt sal u helpen
[Roulant:]
Ick slae den koster blint!

Jan Koster:
Wat faelt u liefste Margeriette / dat ghy my so vremt aensiet?
Margeriette:
Ick gelove ghy my niet lieff en hebt / vaet toch wel myn bediet.
koster:
Hebt ghy verlaeten Roulant?
Margeriette:
Dat is al langh geschiet.
koster:
Soo wil ick u dan trouwen!
Roulant:
‘t Waer beter dat ghyt liet!

Robrecht:
Godt groet u lieve Margeriette / ick brenghe u boses nys.
Margeriette:
Wat is dat goede Roberecht / maeckt ghy my niet wat wys?
Robrecht:
Uwen Roulant is gestorven!
Margeriette:
O Robrecht wie heeftet gedaen?
Robrecht:
Om dat ghy lieft een koster.
[koster:]
O laet hem toch wech ghaen.

Robrecht:
Siet doch hoe hy daer ligget / die u heeft uut ver weelt.
Margeriette:
Vergevet my lieve Roulant / myn smert my toch verveelt.
O Robrecht het gerouwet my!
Robrecht:
Het is met u maer spodt.
koster
Compt tot my en lievet my.
Roulant:
Ick slae ju koster doot!

Margeriete:
O onbarmhertige Margeriette / hebt ghy hem bracht omt leven!
koster:
Soete liefste verlaet toch hem.
Roulant:
Ick sal u slaeghen geven!
koster:
Om niet is al u treuren / compt Margeriette gaet met my.
Margeriete:
Treuren mach Roulant niet helpen / compt koster ick gae met dy.

Jan koster:
Myn hoocheyt sal van daeghe syn.
Margeriete:
U wille hebt ghy aen my.
Roulant:
Maer hoort toch nabeur koster / een woort heb ick aen dy.
Margeriette:
Leeft noch myn lieve Roelant?
koster:
Dat is my grote pyn!
Roulant:
Gaet ter kercken en luyt die klocken / nu sal myn hoocheyt syn!

Margeriette:
Ick begere geen ander als Roulant / ghy koster gaet toch wech!
koster:
Wilt Margeriette my verlaeten?
Roulant:
Ghy syt een arghe gheck!
koster:
Lichtveerdige jonckvrouwen en trou ick niet...
Margeriette:
Gaet maeckt ghy koster een graff!
koster:
Nu is Margeriette Roelants.
Roulant:
Soo syt ghy nu daeraff.

Vergeleken met het Duits zijn de strofen 6 en 7 met elkaar verward, en enkele keren is niet de juiste spreker aangegeven. Verder is de tekst vrij gaaf. Maar is dit een vertaling uit het Engels? Ik vertrouw de rijmwoorden niet: smert / scherts; gebodt / doot; sagen / jaghen; nys / wys; verweelt / verveelt; spodt / doot; wech / geck. Het zou mij niet verbazen als dit een vertaling uit het Duits is. De cloeckheyt uit regel 12 heeft niets met cloeck en moedigh te maken, en alles met het Duitse klugheit. Dat zou betekenen dat er een oudere Duitse versie geweest moet zijn dan én de oudste bewaard gebleven Duitse Roland und Margareth én deze Nederlandse vertaling.

De oorspronkelijke plot zal als volgt geweest zijn:

Roulant klaagt zijn nood bij zijn buurman Robrecht. Zijn Margeriette, met wie hij nog niet gehuwd is, flirt met koster Jan. Robrecht probeert hem gerust te stellen, maar slaagt daar niet in.
     Roulant vertelt dat Margeriette met koster Jan op het kerkhof is – vermoedelijk is de koster daar beroepshalve een graf aan het graven  en dat hij vreest dat die twee in de kuil liggen te vrijen  wat heel goed zou kunnen. Besloten wordt naar het kerkhof te gaan, waar zij Jan de koster en Margeriette zien lopen. De manier waarop dat gebeurt  te intiem natuurlijk  maakt Roulant gek van jaloezie.
     Robrecht sommeert Roulant op de grond te gaan liggen om het paar af te luisteren. Maar Roulant – hij heet niet voor niets Roulant  wil erop af en koster Jan het kerkhof afjagen. Zoek het dan maar zelf uit, zegt Robrecht. Voor wie ben je nu?, vraagt Roulant. Vertrouw op mijn slimheid, antwoordt Robrecht. Roulant, die de koster liever te lijf gaat, pocht koster Jan blind te slaan.
     Wat is er toch Margeriette, je kijkt me zo raar aan?, vraagt koster Jan. Omdat ik het gevoel heb dat jij niet (zo veel) van mij houdt (zoals ik van jou houd), antwoordt Margeriette. Maar Roulant dan?, vraagt koster Jan. O, dat is allang uit, zegt Margeriette. In dat geval trouw ik met u, belooft koster Jan. Inmiddels zijn de twee gearriveerd waar Roulant op de grond ligt en ‘dood’ gevonden wordt.
     Robrecht groet Margeriette en brengt haar het droeve nieuws dat haar Roulant is overleden aan liefdespijn, veroorzaakt door haar vrijage met koster Jan. Ga toch niet om met die man!
     Margeriette verwijt zichzelf Roulant om het leven te hebben gebracht. Koster Jan probeert haar af te lijden: dood is dood ... Maar zo snel kan ze Roulant niet vergeten. Robrecht wakkert haar schuldgevoel aan door haar rouwmisbaar spotternij te noemen. en ondertussen kan Roulant zich amper inhouden.
     Maar dan realiseert Margeriette zich dat het leven doorgaat, en dat ze met haar verdriet Roulant niet terugkrijgt. Ze besluit daarom met koster Jan in zee te gaan.
     Terwijl koster Jan victorie kraait en zijn bruiloft proclameert, herrijst Roulant uit de dood, en vraagt hij Margeriette: Van wie houd je nou echt?! Van mijn Roulant, luidt Margeriettes antwoord. Ga jij de klok maar luiden – zal vast wel obsceen zijn  want vandaag zal mijn bruiloft zijn.
     Margeriette laat koster Jan als een baksteen vallen, waarop deze zich groot houdt door te zeggen dat hij geen wispelturige vrouw wil – alsof er andere zijn, denken de mannen in het publiek. De koster wordt tenslotte uitgenodigd het graven van zijn eigen graf te voltooien.

Volgens Van Duyse was de wijs van het Rowland-lied die van de hit Soet soet Robbertjen, maar welke Soet soet Robbertjen? De verschillende notaties verschillen nog al. Hetzelfde geldt voor de Duitse notaties. Al zoekend, lezend en luisterend heb ik begrepen dat de melodie van het Rowland-lied dezelfde is als die waarop een welkomstlied ter ere van de Engelse generaal Lord Willoughby geschreven werd. Omdat mijn grammofoonplaten nog altijd in de opslag staan, ben ik op het Internet op zoek gegaan naar de notatie en een uitvoering van My Lord Willoughby’s Welcome Home, en heb die gevonden. Zie hier de notatie in het arrangement van de luitist John Dowland (1563-1626):


Transcriptie van de muziek My Lord Willoughby’s Welcome Home

En hier kunt u een ‘instrumentale’ uitvoering bekijken en beluisteren. Het Roulant-lied laat zich er goed op zingen.

Het Roulant-lied tenslotte is door Hand 2 ondertekend met Liefde gaet boven al. Als typering van het lied zelf lijkt me dat niet adequaat, ik denk eerder aan een devies. Helaas bleek dit motto onvindbaar in de pdf-versie  en dus digitaal doorzoekbaar!  van het monumentale Retoricaal Memoriaal, waarvan de typografische versie geen register bevat... Het dichtste bij komt de zinspreuk Liefde boven al van de Haarlemse rederijkerskamer De Wijngaertrancken. Nu staan er in het Album Giblant meer vingerwijzingen richting Haarlem, wat het extra verleidelijk maakt Hand 2 te duiden als een lid van deze rederijkerskamer.


Literatuuropgave:

– F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden, Retoricaal Memoriaal. Bronnen voor de geschiedenis van de Hollandse rederijkerskamers van de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw. Delft 1999.
– Ludwig Erk & Franz M. Böhme, Deutsche Liederhort. Auswahl der vorzüglicher Deutschen Volkslieder [...]. Zweiter Band. Hildesheim usw. 1963, p. 308-313.
– Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Wereldlijke en geestelijke liederen uit vroegeren tijd. Teksten en melodieën verzameld door  . Tweede deel. ‘s-Gravenhage enz. 1905, p. 1149-1154.
– A.J. Hoenselaars, ‘Engelse acteurs voeren in Utrecht De werken van Hercules op’, in: R.L. Erenstein e.a. (red.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996, p. 142-147.
– Willem Kuiper, ‘Eer voor goet is myn gemoet’, in: Neder-L 0101.26.
– Willem Kuiper, ‘De Venus van Giblant’, in: Neder-L 0104.33.
– Mary Springfels, ‘Music in Shakespeare’s Plays’, op: http://shakespeare.eb.com/shakespeare/esa/660007.html

PS. Wat zou ik graag met een theaterdeskundige, een musicoloog en een cineast dit Roulant-lied verfilmen.



Date: Mon, 28 May 2001 21:35:09 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0105.25: Column Willem Kuiper, no. 55:
Een nieuw lied

Neder-L column 54 : De Venus van Giblant


In column 52 Eer voor goet is myn gemoet heb ik u verteld over het liederenalbum van Aefgen, dochter van Claes van Giblant, en u ook de schilderijtjes laten zien die achter in het album staan. Bij één daarvan, een afbeelding van Venus en Amor,



vroeg ik mij af: “hoe origineel of hoe afgezaagd is dit portret? Heeft de schilder deze pose zelf bedacht of overgenomen? En kan het zijn dat de schilder enige gelijkenis in zijn portret verwerkt heeft met Aefgen? Was zoiets gebruikelijk in die dagen, of heeft haar picturale minnaar een standaard voorbeeld gekopieerd?”

Bovenstaande vraag was niet alleen retorisch bedoeld. Voor iemand die zich het afgelopen jaar vooral heeft beziggehouden met de dertiende-eeuwse Venus van Voorne is de Alblasserwaard – want daar ligt Giblant, tegenwoordig Gijbelant geheten – ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog heel ver weg! Helaas, tot op heden heb ik geen enkele reactie mogen ontvangen. Maar nu we het toch over de Tachtigjarige Oorlog hebben, één van de liederen in het Album Giblant gaat over een Spaans militair fiasco in de nabij gelegen Bommelerwaard. Het is een dramatisch lied, dat wil zeggen, het wordt gezongen door twee stemmen die elkaar vragen stellen en antwoord geven, en het is bedoeld om opgevoerd te worden. Heeft iemand enig idee op welke Spaanse afgang dit lied doelt?

Dan maar elders mijn iconografisch licht opgestoken, in Dordrecht om precies te zijn. Daar is in het Dordrechts Museum sinds februari van dit jaar de inmiddels veelgeprezen tentoonstelling Griekse Goden en Helden in de tijd van Rubens en Rembrandt (zou eerst tot en met 6 mei 2001 duren, maar is nu verlengd tot en met 20 mei 2001). U kon er een virtueel kijkje nemen via: (http://www.museum.dordt.nl/griekse_goden/home.htm) en elke dag een ander schilderij bekijken. De schilderijen van de vorige dag(en) blijven beschikbaar, dus tegen het sluiten van de tentoonstelling kun je zo’n beetje ‘alles’ op je scherm zien.

     Bij die tentoonstelling hoort een pracht van een catalogus, die geheel in stijl van de tentoonstelling van een Rubensiaanse proportie is, zodat de vele kleurenafbeeldingen heel goed bekijkbaar zijn. De kwalificatie ‘een lust voor het oog’ is hier absoluut op zijn plaats, aangezien de Griekse goden en godinnen uitbundig naakt geschilderd zijn.

Kunsthistorisch ben ik een leek. Hoewel geen paleograaf of codicoloog heb ik voldoende Middelnederlandse handschriften gezien en in handen gehad om ze als zodanig te herkennen. Want daar gaat het om: zien wat significante overeenkomsten en verschillen zijn. Met teksten weet ik daar wel raad mee, maar plaatjes is een heel ander paar manchetten. Ik realiseer mij dus heel goed dat ik mij in wat hierna komt op glad ijs begeef, maar – dichtte de Middelnederlandse vertaler van de Graalqueeste – “Daert glat es, moet men gliden, ende some tijt met pinen staen ...”
     Na de catalogus een aantal keren aandachtig te hebben doorgebladerd vond ik dat de stijl van het Aefgen-plaatje sterk afweek van de bulk van het schilderwerk. Eigenlijk leek het nergens op, totdat ik stuitte op de schilder Lambert Sustris. Nooit van gehoord. Volgens de begeleidende tekst van mevrouw Angela Tamvaki werd deze schilder ergens tussen 1510 en 1515 geboren te Amsterdam en stierf hij na 1560 vermoedelijk te Venetië. Zijn werk – 5 schilderijen – is als ik het goed begrijp onder buitenlands mecenaat tot stand gekomen, en bewaard gebleven in de Franse Fugger-collectie.
     In die Dordtse catalogus staan afbeeldingen van twee schilderijen van Sustris die mijns lekenoogs inziens tezamen als twee druppels water lijken op het schilderij in het Album Giblant. Als ik het goed zie, is de Venus van Giblant samengesteld uit deze twee schilderijen. De schilder heeft ze als het ware verbouwd tot één nieuw schilderij, en is daarbij naar ik vermoed nog creatief te werk gegaan ook.


Zie hier zijn de twee schilderijen die ik houd voor de directe inspiratiebronnnen van de schilder van de Venus van Giblant. Schilderij 1 hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam. Het meet 116 bij 186 cm en is getiteld Aphrodite.



Sustris schilderde dit ‘portret’ te Augsburg, waar hij na een Italiaanse periode vanaf ca. 1548 verbleef.


Uit 1544 dateert het hieronder staande portret van de op dat moment 17-jarige Barbara Kressin, van wie wij verder niets weten. Wat mij opvalt is dat de haardracht van beide vrouwen overeenkomt, maar dat zal wel niet belangrijk zijn. Aangezien ik mij toch ver buiten de grenzen van mijn competentie begeef, durf ik het zelfs voor mogelijk te houden dat het om één en dezelfde vrouw gaat. Eerst als meisje en later als vrouw geschilderd.




Schilderij 2 hangt in het Louvre, het wordt gedateerd ca. 1548-1552, en meet 134 bij 184 cm. Het schilderij is een mengeling van Italiaanse en noordelijke invloeden.



Stel nu eens het geval dat ik heel misschien gelijk heb, dat de schilder van de Venus van Giblant een kleine vijftig jaar later zich inderdaad heeft laten inspireren door de schilderijen van Lambert Sustris, dan moet die schilder behoorlijk erudiet geweest zijn. Hoe en waar zou hij kennis van die schilderijen hebben kunnen nemen?! Feit is dat er liederen in het album staan, waarin gesproken wordt over verre reizen. Feit is dat het artistiek gehalte van de liedteksten in het album ver boven het landelijk gemiddelde ligt. Feit is dat er Franse liederen in het album staan. Hoe bijzonder of afgezaagd die liederen zijn, kan ik niet nagaan bij gebrek aan een Repertorium van het Franse lied tot 1600.


Literatuuropgave:

– Peter Schoon en Sander Paarlberg (eindredacteuren), Griekse Goden en Helden in de tijd van Rubens en Rembrandt. Athene-Dordrecht 2001.

– http://www.meertens.knaw.nl/projecten/index.html (Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600).



Date: Sun, 22 Apr 2001 23:32:38 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0104.33: Column Willem Kuiper, no. 54:
De Venus van Giblant

Neder-L column 53 : Isidorus van Sevilla, PC-beschermheilige


Als trouw Met het Oog op Morgen-luisteraar hoor je soms dingen die te gek voor woorden zijn. Zo blijkt de moederkerk een schutspatroon alias beschermheilige aangewezen te hebben voor computergebruikers. De uitverkorene is de Spaanse bisschop en encyclopedist Isidorus van Sevilla (ca. 560-636). Waarom nou uitgerekend de keus op hém viel, werd me niet echt duidelijk tijdens het vraaggesprek. Maar dat kan ook aan presentator Joop van Zeyl gelegen hebben. Die heeft er een handje van niet alleen de vragen te stellen, maar daar ook zelf het antwoord op te geven, waarna hij van de gast wil horen dat hij gelijk heeft. Als ik het goed begrepen heb, dankt Isidorus zijn benoeming aan zijn mathematische geest – de computer is per saldo een rekenaar.

Een beschermheilige is een ervaringsdeskundige die later heilig verklaard is. Zat een middeleeuws mens met een probleem dat gedekt werd door de expertise van zo’n schutspatroon, dan bad hij tot hem of haar in de hoop van zijn probleem verlost te worden. Een voorbeeld: Toen het meisje Apollonia weigerde in het huwelijk te treden, omdat zij haar hemelse bruidegom niet ontrouw wilde zijn, werden  om haar op andere gedachten te brengen  haar tanden één voor één uitgetrokken. Zonder verdoving! Dus als ik naar mijn mondhygiëniste ga, denk ik eerst heftig aan Apollonia ter verzachting van de pijn. Niet dat het helpt, maar dat komt waarschijnlijk omdat ik tijdens de behandeling onwillekeurig aan Apollonia 6 moet denken ...

Toen de middeleeuwse gilden verlegen waren om een held die model kon staan voor hun beroepsgroep kozen zij uit de wereld van de Legenda aurea een passende heilige: de koks kozen Laurentius (die op een rooster gebarbecued werd), de jagers Hubertus (die door een hert bekeerd werd), de boeren Gertruda van Nijvel (Trui Muis), de huismoeders Anna (de moeder van Maria), de vuurwerkmakers de heilige Barbara (naar wie menig kerkhof genoemd is), de melkvrouwen Brigida, de hoeren Maria Magdalena, de touringcarchauffeurs Christoforus enzovoort. Maar de beroepsgroep die het tot op heden zonder schutspatroon moest stellen waren de computergebruikers. Daar is dus nu een eind aan gekomen nu Isidorus van Sevilla de hemelse helpdesk bemant.
     Nu zou ik mijzelf niet of al die jaren nooit geweest zijn als ik zo’n voordracht c.q. aanstelling voor zoete koek zou slikken. Sinds het Vaticaan onlangs Sinterklaas en nog zo wat middeleeuwse sinten van de heiligenkalender afgevoerd heeft, betwijfel ik ten zeerste of men daar nog wel verstand van heiligen heeft!

     Als Isidorus nou RSI gehad had, dan zou ik zijn uitverkiezing kunnen billijken, maar daarvan is niets bekend. Daarom ben ik zo vrij een tegenkandidaat voor te stellen.

Een mijns inziens betere kandidaat is de vierde en laatste kerkvader: Gregorius de Grote (540-604, paus 590-604), de man die het godsdienstonderwijs uitvond en wiens karwats – waarmee hij het geloof er bij de kinderen insloeg  gedurende de Middeleeuwen te Rome als relikwie bewaard werd.

Zie hier een miniatuur uit het handschrift KB Brussel, ms. 9916-17, fol. 1:


Waarom Gregorius het verdient uitgeroepen te worden tot patroonheilige van computergebruikers?

Gregorius was een vleesgeworden tekstverwerker.
Hij was multitasking.
Hij deed aan e-mail.
Hij was multimediaal.

Zoals Ton Sijbrands meer dan twintig partijen tegelijk blind kan dammen kon Gregorius meerdere kopiisten simultaan dicteren. Daartoe zette hij zich in een zetel, die men zich moet voorstellen als geplaatst in het midden van een boter, kaas-en-eieren-kruis. De kopiisten konden Gregorius en elkaar niet zien, omdat ze door gordijnen van elkaar gescheiden waren. Als Gregorius inspiratie had, riep hij een kopiist (IRQ) aan en dicteerde hem. Totdat hij even geen tekst meer had en met een andere kopiist verder ging.
     Op de miniatuur wordt dit gestileerd weergegeven. Links zit de auteur Gregorius in zijn ‘schrijfstoel’ met in de hand het boek, dat hij al dicterend aan het ‘schrijven’ is. De gordijnen zijn picturaal in de knoop gelegd om Gregorius en één van zijn ‘prikborden’ in beeld te brengen. Wij zien hem rechts, met in zijn linkerhand een tweeluik rood / groen gekleurde wastafels en in zijn rechterhand een schrijfstift. Dat de kopiist met zijn griffel een gat in de gordijnen steekt, heeft niets met verveling of vernielzucht te maken. Hij heeft al zo lang niets meer van zijn geleerde dictator gehoord dat hij zich zorgen is gaan maken: Zou Gregorius onwel geworden zijn? Om hierachter te komen prikt hij voorzichtig een gaatje in het gordijn dat hen scheidt en ziet tot zijn grote verwondering dat Gregorius e-mail krijgt! Op zijn rechter schouder zit een duif – in wie wij moeiteloos de Heilige Geest herkennen  met zijn bek in Gregorius’ oor, die zijn spirituele cache vult.
     Multimediaal tenslotte is Gregorius omdat de Gregoriaanse muziek – die van een bijna bovenaardse schoonheid is  zijn naam draagt. Hij heeft deze manier van zingen dwingend opgelegd om de liturgische eenheid van het ware geloof te waarborgen: real audio!


Op gezag van de heilige stoel beveel ik de bèta’s toe aan de zorg van de Isidorus van Sevilla. Wij alfawetenschappers willen een eigen patroonheilige, wij willen Gregorius!



Date: Fri, 23 Feb 2001 11:37:48 +0100
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0102.37: Column Willem Kuiper, no. 53:
Isidorus van Sevilla, PC-beschermheilige

Neder-L column 52 : Eer voor goet is myn gemoet


Hoe komt een mens de donkere dagen – ook wel de feestdagen geheten – door? Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar een winterslaap. Op de avond van het feest van de heilige Martinus van Tours gaan slapen en niet eerder wakker worden dan op de ochtend van Maria Lichtmis. Dat noem ik nou een Stille nacht, heilige nacht!
     Dus dan maar op zoek naar iets anders om niet in het zwarte gat te vallen. Gelukkig ook gevonden, en zoals dat wel vaker gaat, daar waar je het niet zoekt.

U moet weten dat ik in de loop van het afgelopen jaar binnen het Meertens Instituut getransfereerd ben van het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten naar het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600. In het begin was dat even wennen: 16e-eeuws is een heel ander taaltje dan het 13e-eeuws van Jacob van M(a)erlant. Om maar te zwijgen over de penvoering van mijn scribenten!
     Men is nooit te oud om te leren, Al doende leert men, en Oefening baart kunst! Als ik mij niet vergis zijn deze dooddoeners ongeveer even oud als die zestiende-eeuwse liedjes. Maar omdat ik er slecht tegen kan als ik iets niet kan lezen wat er wel staat, kwamen deze volkswijsheden nog uit ook.

Het keerpunt kwam kort voor Kerst. Na maandenlang mijn ogen bedorven te hebben op devote liederen van bedenkelijke kwaliteit in ditto kopieën kreeg ik eindelijk iets in handen dat mijn hart sneller deed kloppen: het liederenalbum van Aefgen, Claes’ dochter, van Giblant.



Dit 129 bladen tellende album (amicorum) werd door iets meer dan een 20-tal (voorlopige telling), zo te zien goed geschoolde handen volgeschreven tussen 1598 en 1601. Het wordt bewaard op de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag onder signatuur 135K36. De inhoud bestaat vooral uit amoureuze liederen, zonder muzieknotatie, maar met een “op de wyse van”. De liedteksten maken – ondanks de stereotype (mythologische) beeldspraak – over het algemeen genomen een uitgesproken persoonlijke indruk. Er zitten zelfs een paar acrostichons op Aefgens naam tussen. Kan het persoonlijker?! Omdat sommige dichter-minnaars met hun naam, hun initialen of een zinspreuk ondertekenen hoop ik ooit nog eens met hulp van collega’s, de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en Zuidhollandse archieven erachter te komen wie dat zijn.

     Aan het eind van het album zitten drie beschilderde bladzijden. Op fol. 109r zien we de godin Venus met in haar rechter hand een brandend hart en aan de linker een gevleugelde en boogdragende Cupido.


Aanvankelijk dacht ik dat de persoon links een inboorling was, een Afrikaan van de Goudkust, die om redenen van kuisheid – het is per saldo een meisjesboek – ruggelings was afgebeeld. Dit leek bevestigd door het gegeven dat er in somige liederen afscheid genomen wordt en er over verre reizen wordt gesproken. Maar een kwatrijn op de vorige bladzijde maakt duidelijk dat we links met Pallas Athene te maken hebben en rechts met Juno: de drie godinnen die Paris om zijn oordeel over hun schoonheid vroegen. Hoewel... In feite vroegen zij hem niet wie van hen drieën in zijn ogen de mooiste was, maar trachtten zij hem om te kopen. Wat Venus hem bood, kwam het meest aan Paris’ wensen tegemoet, en dus koos hij voor Venus ... Het begeleidende versje luidt:
Venus Straelen met Cupidos schichten
Doen Pallas dwaelen ende Juno verlichten
De Dry geleerste Philosopen Ick moet v verhalen
Syn in Venus bandt Altsamen gaen faelen
Als ik het goed begrijp – het is mijn tijd (nog) niet – bedoelt de dichter te zeggen dat de invloed van Venus, die zij met Cupido’s pijlen uitoefent, Pallas op een dwaalspoor (van de wijs) bracht – staat zij daarom ruggelings afgebeeld? – en Juno devalueert. Onder invloed van Venus zijn de drie geleerdste filosofen door het behang gegaan.
     De impliciete conclusie is: als de drie geleerdste filosofen onder invloed van de liefde zich als dwazen gedroegen, wat kan mij, eenvoudige minnaar, dan verweten worden? De drie bedoelde ‘philosopen’ zullen de Joodse koning Salomo, de Griek Aristoteles en de Romein Vergilius geweest zijn, die inderdaad lelijk onderuit gingen.

Ook is er een afbeelding van wat ik nu voor een heraldische fantasie houd:


En ten slotte een niet onaardige Venus met on top Cupido:


Wat ik mij afvraag is: hoe origineel of hoe afgezaagd is dit portret? Heeft de schilder deze pose zelf bedacht of overgenomen? En kan het zijn dat de schilder enige gelijkenis in zijn portret verwerkt heeft met Aefgen? Was zoiets gebruikelijk in die dagen, of heeft haar picturale minnaar een standaard voorbeeld gekopieerd?

Onderstaande hand houd ik voor de schilder van de Venus van Giblant. Op de bladzijde die aan het schilderij voorafgaat, schreef hij “Lieft ist fondament“”, wat de zinspreuk is van de Leidse rederijkerskamer De Witte Acoleyen. Na het schilderij schrijft dezelfde hand een lied en ondertekent dat met een vijftal onleesbare initialen / kapitalen, eindigend op “OM“”. Dan volgt “In lieffden bloejende”, wat weer de zinspreuk is van de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier.
     Deze Venusjanker heeft een ‘duidelijk’ afwijkende hand, tenzij hij tijdens het schrijven geheel en al door Aefgen, zijn hormonen of een paar roemers witte wijn bevangen was. Zijn lied is het meest vrijmoedige in het hele album. Op het eerste gezicht haat je iemand die zo schrijft, maar als je erachter komt wat hij geschreven heeft dan ben je snel bereid hem te vergeven:


Als ik het goed zie, staat er:
V mondelyn root
die waerdichg is vulprysen
v borskens bloot
die doen myn ver jolysen
die die eens tasten mocht
jae doen al wat hem docht
en waer hy halliff doot
hy zou wel weer verrysen
Bijna alle liederen zijn Nederlands, in een Hollands dialect – Giblant ligt in Zuid-Holland – geschreven, maar het album bevat ook enkele Franse chansons. Hier en daar treft men een Latijns citaat of een Latijnse spreuk aan, en op de laatste bladzijde staan zelfs een paar woorden Grieks!

Wat ik mij rond de jaarwisseling heb voorgenomen is een digitale multimediale editie van dit liedboek te maken, een DVD-box met daarin:

– een integrale facsimile van het 129 bladen tellende album,
– een genormaliseerde diplomatische editie,
– een kritische leeseditie, met daaraan toegevoegd de parallelle overlevering, want daaraan kun je zien hoe persoonlijk een lied in een liedalbum is,
– een vertaling van alle teksten in hedendaags Nederlands, met verklarend commentaar,
– de muzieknotatie van alle liederen waarvan dankzij het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600 de melodie achterhaald kan worden, en
– een gezongen uitvoering van alle liederen waarvan de melodie bekend is.

U begrijpt dat ik dit niet allemaal alleen kan en ga doen. Maar zelfs onder het aanstaande Bachelor / Master-regime moet het toch mogelijk zijn een groep studenten te vinden die hieraan mee wil werken. En met hulp van het Meertens Instituut, de UvA, de KB, de DBNL en wie weet nog meer moet dat toch te doen zijn?

* Met dank aan dr. Kees Thomassen (conservator namiddeleeuwse handschriften, KB Den Haag) en Thomas Thijs (Optische Technieken, KB Den Haag) voor hun excellente medewerking.


Date: Thu, 25 Jan 2001 00:56:07 +0100
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0101.26: Column Willem Kuiper, no. 52:
Eer voor goet is myn gemoet

Neder-L column 51 : De doofpot van Jacob


Of Jacob van M(a)erlant bij zijn leven al bekend stond om zijn waarheidslievendheid, weten wij niet, maar zeker lijkt dat hij die faam in de loop van de veertiende eeuw krijgt. Voorop in de rij roemers gaat de Brabantse clerc-auteur Jan (van) Boendale (Ter Vuren 1279-Antwerpen ca. 1350). Uit de manier waarop Jan  die de laatste dertig jaar van zijn leven secretaris van de wereldstad Antwerpen was  naar Jacob verwijst, leid ik af dat hij hem niet persoonlijk gekend heeft. Jan kende Jacob enkel uit zijn werk, en dan met name uit Jacobs vertaling van de Historia scolastica van Piere le Mangeur alias Petrus Comestor en het Speculum historiale van broeder Vincent. Naar deze twee meesterwerken verwijst hij in respectievelijk Der leken spiegel, boek II, kapittel 84 en de Brabantsche yeesten, boek I, regel 25. Geen woord over het ‘literaire’ werk van Jacob.
     In het derde boek van Der leken spiegel schreef Jan twee kapittels die wat mij betreft verplichte kost zijn voor iedereen die Middeleeuwen op het menu heeft staan: 'Vander lettren ende vander clerghien' (125) en het fameuze 'Hoe dichtren dichten selen ende wat si hanteren selen' (126). In het laatste kapittel verleent Jan aan Jacob de eretitel “vader der dietscher dichtren algader” (r. 119-120), en even verderop deelt hij expliciet mee:
Noyt men oec en ondervant
Dat Jacob van Merlant
Loghene dichte of voert brochte,
Hoe nauwe datment ondersochte!  (291-294)
Lezend in Der leken spiegel raakt men er snel van overtuigd dat Jan (van) Boendale het met de waarheid niet minder nauw neemt dan zijn grote voorbeeld Jacob van M(a)erlant. Zo spreekt Jan in niet mis te verstane woorden zijn banvloek uit over Karel ende Elegast:
Men leest dat Karle voer stelen ...
Ic segdu al sonder helen,
Dat Karle noyt en stal!  (133-135)
En over de omstandigheden waaronder Karel verwekt werd:
Selke maken oec ghescal
Dat hi Carle hiet die man
Om datten sijn vader wan
Op enen waghen an een dienstwijf  (136-139)
Wie bekend is met de wereld van de Legenda aurea weet dat in de naam van een schepsel het wezen verborgen is. Middeleeuwers waren gek op etymologie, en Brabanders als Jan (van) Boendale maakten er veelvuldig gebruik van. Zo werd Antwerpen herleid tot ‘hand werpen’, waarbij Brabo de werper was van de hand van de reus die aan de Schelde van elke passant als tol diens hand opeiste. Aerschot heet zo omdat Julius Caesar daar een ‘aer’ (arend) uit de lucht schoot. Zo doorredenerend is het niet onaannemelijk te veronderstellen dat iemand Karel heet omdat hij op een kar geconcipieerd werd. Maar omdat het ditmaal om de Grote koning Karel gaat, is deze duiding ketterij. Karel was immers de vrucht van een wettig en kerkelijk huwelijk, en dan wordt je niet buiten de echtelijke slaapkamer geconcipieerd!
God die gheve hem onlanc lijf
Die dese loghene dachte,
Ende ierst in plaetsen brachte,
Want Puppijn sijn vader was,
Een heilech man, sijt seker das,
Ende wan Karlen ane sine vrouwe,
Diere hi ghegheven hadde trouwe
Mids der heilegher kerken raet.
Sijn moeder hiet ver Bertraet,
Ende was dochter, wi lesent dus,
Eens keysers hiet Eracleus.  (140-150)
Maar enkele regels verderop blijkt dat Jan in beginsel wel degelijk accepteert dat iemand Karel genoemd wordt omdat hij op een kar verwekt werd, maar dan gaat het om Karels opa, Karel Hamer, waarvan algemeen bekend was dat hij een buitenechtelijk kind was:
Sijn oudervader, wildijt weten,
Was Karle Marteel gheheten,
Ende was in overspele ghewonnen,
Maer wi niet gheweten en connen
Weder op karre oft op waghen.
In hoerets noyt boeke ghewaghen ... (151-156)
Deze passage is wat mij betreft  onbedoeld, want Jan is bloedserieus  de meest hilarische uit de hele Middelnederlandse literatuur, en het levende bewijs dat ook waarheidsaanbidders als Jan (van) Boendale twee matenstokken op zak hadden.
Noyt men oec en ondervant
Dat Jacob van Merlant
Loghene dichte of voert brochte,
Hoe nauwe datment ondersochte!  (291-294)
Nu is Jacob zelf de eerste om toe te geven dat hij in het begin van zijn carrière onwaarheden verkondigde, maar ook toen hij tot inkeer gekomen was, hield hij zich niet aan de waarheid, de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid. Dat zou ook volstrekt ongebruikelijkheid geweest zijn voor de tijd waarin hij leefde. Waarheid was immers een middel, geen doel.
     In zijn Vierde Partie van de Spiegel historiael vertelt Jacob op basis van het Speculum historiale van broeder Vincent het ontroerende verhaal na van het exemplarische vriendenpaar Amijs en Amelis. Het verhaal zoals dat gedurende de Middeleeuwen de ronde deed, is van Italiaanse komaf, maar de werkelijke oorsprong zal nog verder weg liggen. Het gaat over de zoon van een graaf en de zoon van een ridder, die op dezelfde dag geboren zijn en daarom als twee druppels water op elkaar lijken. Dat was normaal gedurende de Middeleeuwen, denk maar aan Floris en Blancefloer. De zoon van de ridder wordt Amicus genoemd, Amijs in het Middelnederlands, wat vriend betekent. De zoon van de graaf heet Amelius (Amelis in het Middelnederlands), wat ‘de betere’ betekent. Sprekende namen: de ‘betere’ is in rang namelijk hoger dan de ‘vriend’.
     Om een lang verhaal kort te maken, beiden komen na nogal wat meegemaakt te hebben aan het hof van Karel de Grote en worden daar bedacht met twee hoge functies. Amijs wordt tresorier en Amelis drussaat. Karels liefde voor beiden vervult anderen met grote jaloezie. Als Amijs toestemming gekregen heeft om na twee jaar afwezigheid zijn vrouw te bezoeken, geeft hij de achterblijvende Amelis het dringende advies op zijn hoede te zijn voor zowel Karels dochter Belicente als de verradelijke hofmaarschalk Harderic. Wijze woorden, maar aan dovemansoren gericht. Amijs is bij wijze van spreken nog niet uit zicht of Amelis neemt Karels dochter  met haar volledige enthousiaste instemming  te grazen, en daarbij gaat het er zo luidruchtig aan toe dat de op het vinkentouw zittende Harderic hen betrapt.
     Zo staat het niet verwoord in Jacobs exemplaar van het Speculum historiale, maar van dit verhaal doen meerdere versies de ronde, die alle een eigen voorstelling van zaken geven, waarin het gedrag van Amelis vergoeilijkt wordt. Zeker lijkt dat broeder Vincent op de hoogte is met andere volkstalige versies. Hij situeert het verhaal namelijk niet in Italië, maar in Frankrijk. Berico werd naar ‘s lands gelegenheid verfranst tot Berry en Averna tot Auvergne. Ook speelde het oorspronkelijker verhaal zich niet af aan het hof van Karel de Grote, maar aan dat van een naamloze krijgsheer. Omdat Amijs en Amelis hun leven als heiligen eindigen, zijn ze de wereld van de eveneens als heilige eindigende Karel de Grote ingeschreven.

Natuurlijk ontkent Amelis in alle toonaarden dat hij Karels dochter onteerd heeft, en biedt hij aan dit in een tweegevecht annex Godsoordeel te bewijzen. Moeder en dochter kiezen partij voor de aangeklaagde Amelis en staan met hun leven borg voor Amelis’ vertrek naar Amijs. Die is natuurlijk woedend, maar vriend genoeg om hem te helpen. In de gedaante van Amelis begeeft hij zich naar het hof en in het krijt, zweert daar naar waarheid dat hij Karels dochter met geen vinger aangeraakt heeft, en maakt de verrader Harderic letterlijk een kop kleiner. De opgeluchte vorst wil nu niets liever dan dat er een huwelijk gesloten wordt tussen de succesvolle uitdager en zijn dochter. Wat hem betreft kan dat huwelijk dezelfde dag nog gesloten worden en kan die nacht al de bruid beslapen worden. Een grote zorg minder!
     Maar niet voor Amijs ... Die is namelijk gehuwd, en als hij straks  en ik heb uit de literatuur begrepen dat zo iets vroeger in de vroege Middeleeuwen in het bijzijn van getuigen gebeurde  de bruid beslapen moet, pleegt hij bigamie. En mocht hij zelf al niet op die gedachte gekomen zijn, dan is er nog een engel Gods die hem dit in een visioen meedeelt, en hem als straf voor het negeren van het gebod binnen twee jaar lepra garandeert. Amijs moet er niet aan denken dat hij een melaatse zal worden, en ook begrijpt hij heel goed dat hij in de ogen van de Heer zwaar zondigt als hij Karels dochter beslaapt, maar ... God is pas echt belangrijk als je dood gaat. Zolang je leeft, heb je met mensen te maken. En aangezien de mens een wolf is voor zijn medemens, zijn wereldlijke eer en reputatie belangrijker dan de zonde der bigamie, en kan Frank de Boer een voorbeeld nemen aan de manier waarop Amijs zich van zijn taak kwijt.

Broeder Vincent, voor wie  of voor de destinaris koning Lodewijk de Heilige  deze episode uit het leven van de latere heiligen ook een tikkeltje te wild was, laat de boodschap van de engel achterwege, en expliciteert de bigamie niet, maar uit de context blijkt wel degelijk dat hij het gebeuren bekend veronderstelt. Hij vervolgt zijn relaas namelijk met Amicum vero cum uxore sua manentem percussit Deus morbo lepre, wat zoveel betekent als: Toen Amijs weer bij zijn eigen vrouw woonde, sloeg (strafte) God hem met de ziekte lepra.
     Jacob echter grijpt in. Hij stelt Amijs in de gelegenheid terug te keren naar zijn huis, daar Amelis het goede nieuws te brengen, wederom van rol te wisselen, en pas de volgende dag het huwelijk te laten voltrekken (kap. 78):
Amelis keerde vro ende blide
Ende trouwede naden stride
Belicente, ende voer mede
Wonen in sijn selves stede.  (63-66)
Maar nu heeft God geen reden meer om Amijs met lepra te slaan, en dus vervolgt Jacob (kap. 79) heel neutraal met:
Na desen dinghen so ghevel
Dat Amijs wart an sijn vel
Altemale lasers al
Ende waer so hi wesen sal
So moetmen heffen ende draghen.  (1-5)
Het gebeurde dat Amijs melaats werd en niet meer kon lopen. Misschien werd de lezer / luisteraar geacht aan de arme Job denken, die zijn welvaart en welzijn veranderen zag in armoede en ongeluk?
     Vanaf nu kan Jacob het verhaal voortzetten alsof er niets gebeurd is. Amijs vreest door zijn eigen vrouw vermoord te worden  die haat jegens hem had opgevat omdat pseudo-Amijs haar de bijslaap weigerde door in bed een zwaard tussen hen beiden in te leggen (Amelis had zijn lesje geleerd ...), en laat zich naar Amelis brengen. Daar wordt hij herkend aan de identieke drinkbeker die zij beiden als cadeau van paus Deusdedit bij hun doop ontvingen en in huis opgenomen. Dan verschijnt de engel Raphael aan Amijs en deelt hem mee dat hij kan genezen als zijn lichaam bestreken wordt met het bloed van Amelis’ tweelingzonen. Met tranen in de ogen en een brok in zijn keel onthoofdt Amelis zijn driejarige kinderen en doet wat de engel gezegd heeft: Amijs geneest ter plekke. Als Amelis later terugkeert naar de slaapkamer van zijn kinderen om hen te begraven, vindt hij hen spelend in bed, met een cirkelvormig rood lidteken rond de hals ...
     Eind goed al goed. Amijs genezen, Amelis zijn kinderen terug, en  dankzij Jacob  Karel de Grote behoed voor een blamage.


Literatuuropgave:

– Amijs ende Amelis. Een middeleeuwse vriendschapssage, naar de berijming van Jacob van Maerlant tezamen met zijn Latijnse bron uitgegeven door J.J. Mak. Zwolle 1954.
– Georges Duby, Medieval marriage. Two models from twelfth-century France. Baltimore etc. 1978.
– Georges Duby, Le chevalier, la femme et le prêtre. Le marriage dans la France féodale. Paris 1981.
– Willem Kuiper, 'O.K. Simpson', Neder-L column nr. 20 [9510.12]
– Jean Leclercq, Le mariage vu par les moines au XIIe siècle. Paris 1983.
– W.M. Verbaal, ‘Amijs & Amelis’, in: W.P. Gerritsen & A.G. van Melle (red.), Van Aiol tot de Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst. Nijmegen [SUN] 19982.


Date: Mon, 04 Sep 2000 14:56:40 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0009.14: Column Willem Kuiper, no. 51: 
De doofpot van Jacob

Neder-L column 50 : Een Vlaming op Voorne


We schrijven AD 1261 als Albrecht van Voorne zijn vader Henric van Voorne opvolgt als burggraaf van Zeeland. Dat weten wij dankzij het Oorkondeboek Holland en Zeeland, een KNAW-project waarin alle bewaard gebleven middeleeuwse oorkonden uit het graafschap Holland / Zeeland zijn uitgegeven. Elke maandag deel ik op het Meertens Instituut een kamer met de laatste der OHZikanen, en maak van die gelegenheid dankbaar gebruik de diplomatieke onderbouwing van Maerlants wereld te toetsen aan een second opinion.
     Was Albrecht van Voorne inderdaad niet veel ouder dan Florens toen hij zijn vader opvolgde? Had hij echt geen jongere broer(s) of oom(s) van vaderszijde? Wat was de relatie tussen de burggraaf van Voorne en de heren van Maerlant? Hoe oud was Henric van Voorne toen hij stierf? Hoe oud werd zijn vader Dirc van Voorne?
     Het is aan deze Albrecht van Voorne dat Jacob, die zich dan ‘de coster van Merlant’ noemt, zijn vertaling in verzen van de proza-Historie van den Grale opdraagt:
Desse Historie van den Grale
Dichte ick to eren hern Alabrechte,
Den heer van Vorne, wal myt rechte,
Want hoege lude myt hoger historie
Menichfolden zuken er glorie,
Unde korten dar mede er tijt.  (14-19)
Onduidelijk is of de Historie vanden Grale door Albrecht zélf besteld werd, of was er een voogd / voogdes die de bestelling plaatste en het werk aan Albrecht liet opdragen? Hoe het ook zij, Jacob heeft die opdracht met onverholen tegenzin aanvaard. Immers, na de plichtmatige verklaring dat hoge heren er goed aan doen hun tijd te korten met het luisteren naar hoogtepunten uit de wereldgeschiedenis  zoals bijvoorbeeld zijn eigen Alexanders geesten  maakt hij het Franse origineel dat hij voor heer Albrecht vertaald heeft, met de grond gelijk:
Ick wille dat gij des zeker zijt,
Dat ick de historie vele valsch
Gevonden hebbe in dat Walsch,
Dar ze van Gode, onsen Heren, sprak
Dat ene dat volck van Rome wrack.
Dar umbe merket desse zake:
Eyn dichte Van onses Heren Wrake
Lestmen, dat is wijde bekannt,
Unde makede eyn pape in Vlanderlant,
Dat saget dat boeck in zijn beginne,
Mar ick wene in mynen sinne,
Dat pape dat nicht en dichte,
Want men mochte nicht gescriven lichte,
We vullich dat gelogen zij!
Unde dat zal ick ju proven waer bij
In der historie de komet hijr naer.  (20-35)
In de proloog van Jacobs exemplaar staat dus dat er een tekst is die handelt over hoe 42 jaar later de Romeinse keizers Titus en Vespasianus de dood van Jezus van Nazareth wreken met de inname en verwoesting van Jeruzalem. Helaas ontbreekt juist deze passage in het handschrift.
     Terzijde, het enig bewaard gebleven handschrift van de Historie van den Grale dateert van ca. 1425, is geschreven in een Nederduitse mengtaal, en is nog altijd privébezit van een kasteelheer in het plaatsje Burgsteinfurt nabij Bentheim. In het begin van de negentiende eeuw leende de toenmalige bezitter het handschrift uit aan een Veluwse predikant. Het verhaal gaat dat de man tijdens de lezing van het handschrift naar de deur geroepen werd, en toen hij terugkwam hadden zijn kinderen er vier bladen uitgescheurd. De dienaar Gods heeft toen de uitgescheurde bladen weggegooid en zo het boek weer teruggegeven... Vanaf dat moment was deze geheimzinnige codex onbereikbaar voor de vaderlandse wetenschappers, zelfs na inschakeling van de ambassade, met als gevolg dat hij in Jonckbloets Geschiedenis der Middennederlandsche Dichtkunst als apocrief verworpen wordt: coster Jacob kon er bij Jonckbloet niet in...
     Grappig is dat het nu uitgerekend de schoonvader van de Tachtigers, Johannes van Vloten (1818-1883)  de man die met iedereen overhoop lag  wél lukte om toegang tot het handschrift te krijgen. In 1880 verscheen zijn hertaalde editie met een minimale inleiding, maar wel heel veel leedvermaak. Zoals te verwachten werd Van Vlotens Merlijn in de kritiek gesloopt: “ein slechtes gedicht, eine schlechte handschrift, und ein über alles slechter herausgeber” (Joh. Franck, Anzeiger 1883). Echt beschamend is dat er 120 jaar later nog altijd geen nieuwe integrale editie van het Steinfurter handschrift is!

De Roman du Graal, die Jacob vertaalde, is een ingenieuze mengeling van evangelisch en apokrief materiaal. Hoofdpersoon is Jozef van Arimathea, ooit ridder in dienst van de landvoogd Pontius Pylatus, inmiddels een man in bonis, en heimelijk leerling van Jezus van Nazareth. Dankzij zijn maatschappelijke status kan hij gaan en staan waar hij wil. Zo komt hij in het bezit van de Graal, een schaal die Jezus tijdens het Laatste Avondmaal gebruikte voor het sacrament van de eucharistie. Cruciaal voor de christelijke contrafactuur van de van oorsprong Keltische Graal is de transsubstantiatie: brood en wijn worden lichaam en bloed van Gods zoon. In de tijd dat de Roman du Graal verschijnt, is dit een geloofswaarheid die zeer tot de verbeelding spreekt, en legio is het aantal mirakelen, waarin het bewijs van de transsubstantiatie geleverd wordt.
     Mengde Jezus tijdens het Laatste Avondmaal wijn en water in de Graal, na Zijn dood neemt Jozef van Arimathea met toestemming van zijn voormalige werkgever Pylatus het lichaam van het kruis, wast het bloed daarvanaf en bewaart dat in diezelfde Graal. Daarmee is de cirkel gesloten. Naar ik vermoed moeten wij ons het geheim van de Graal voorstellen als een metamorfose van het één in het ander en weer terug: wijn wordt bloed en vice versa.
     Wie denkt dat Jacob onder de indruk is van het Franse proza vergist zich deerlijk. Proza moge ten tijde van Jacob een uitstraling van betrouwbaarheid en waarachtigheid hebben, het is en blijft Frans. En blijkbaar heeft Jacob een Evangelarium bij de hand of misschien wel een Vulgaat, want hij weigert sommige passages uit zijn bron te vertalen en last daarvoor een parafrase uit de Evangeliën in. Over zwaar op de hand gesproken. Geef je een adolescent een vertaalopdracht en dan gaat die jongen een beetje zitten censureren!
     
De mening heerst dat Jacob op Voorne de gelukkigste jaren van zijn leven doorbracht: Jacob beleefde zijn grootste productiviteit te Merlant, nou dan zal hij zich daar ook wel het meest op zijn gemak gevoeld hebben ...
     Inmiddels ben ik daaraan sterk gaan twijfelen. Uit de proloog spreekt duidelijk dat Jacob zwaar in zijn maag zat met de materie. Was hij bang dat hij van heterodoxie beschuldigd zou kunnen worden? Of wilde hij  clerc in de dop, maar ook in hart en nieren  het absoluut beter weten dan zijn beroemde Franse bron Robrecht van Barioen? Feit is dat Jacob diens roman in krap 1600 versregels nogal liefdeloos vertaalde en dan onpersoonlijk verder gaat met:
Hijr begint dat Boek van Merlijne,
Unde wo de duvele benyden
Dat God de helle to brack,
Unde syne vrent daer uet verlozede. 
Nu hoort gij heren al bij sonder
Van onsen Heren een groet wonder,
Want na ziner pine unde zine doet
Voer onse Here to der hellen oeck.
Hijr aff spreket dit boeck voert meer. (1608-1612)
Maar voordat Jacob verder gaat, last hij eerst het proces in dat Mascheroen, de procureur van de duivels, bij God de Vader aanspant tegen Gods Zoon wegens de zielenroof, een proces waarin het er net zo eerlijk aan toe gaat als tijdens het toekennen van de gouden appel door Paris aan de schoonste onder de Griekse godinnen. Maar omdat de uitslag voor ons mensen gunstig uitvalt, doen we er niet moeilijk over. Dan volgt hij weer zijn bron tot de kroning van koning Artur en eindigt zijn vertaling abrupt.

Heel veel jaren later, op Witte Donderdag van het jaar 1326, wordt het boek door Lodewijc van Velthem voltooid zonder dat de naam van de opdrachtgever genoemd wordt. Men vermoedt dat het Albrechts zoon Gheraert van Voorne was. Of die er echt blij mee was, vraag ik mij af. Ik ken geen eentoniger Middelnederlandse rijmtekst.

Terug naar Jacobs proloog. Die begint met:
Alle de gene de desse tale
Horen willen vanden Grale,
Wannen dat he eirsten quam...
Als ick inden Walsche vernam,
So zal ickt dichten in Duesche woert.  (1-5) 
[Allen die dit verhaal over de Graal willen aanhoren: waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Zoals ik het in het Frans vond, zal ik in het Nederlands (na)vertellen]
Om te vervolgen met:
Ick en zalt nicht laten dorch er voert,
De benyden mijn gedichte,
Wante doch alle quade wichte
To der doghet tragen altoes nijt.  (6-9) 
[Ik zal het niet laten door “er voert” die mijn werk benijden. Booswichten hebben nu eenmaal een hekel aan alles dat goed is.]
In de topistiek van de proloog is het niet ongebruikelijk af te geven op collega’s om het eigen werk indirect aan te prijzen, bijvoorbeeld dat zij het verhaal niet goed vertellen, of het belangrijkste vergeten zijn. Maar hier lijkt Jacob zich te keren tegen ‘nijders’, de vraag is: wie zijn dat? Het antwoord ligt besloten in “er voert”. Bij mijn weten heeft nog nooit iemand deze woorden geproblematiseerd, ook het Middelnederlandsch Woordenboek vermeldt deze vindplaats niet. Toch kan met behulp van hetzelfde Middelnederlandsch Woordenboek de betekenis gemakkelijk achterhaald worden als men weet dat Jacob het woord ‘woord’ als ‘wort’ spelde. Het rijmwoord moet dus ‘vort’ geweest zijn. Welnu, dit ‘vort’ is niets anders dan het Engelse ‘fart’. Als ik mij niet vergis zet Jacob zich af tegen de door hem zo gehate menestrelen: niet gestudeerde, maar wél onderhoudende en gewaardeerde beroepsvertellers, wier repertoire hij ‘hun scheet’ noemt.
     Vanwaar deze felle uitval? Werd Jacob gepest? In zijn overige werk betoont Jacob zich nogal preuts. Kan hij niet aarden? Is Oostvoorne vergeleken met het grote Brugge een verbanningsoord? Of maakt hij een venijnig grapje?

Tot de schaars bewaard gebleven vastenavondliteratuur behoort het gedicht De Blauwe Schuit, ondertekend door “Jacob van Oestvoren”. Natuurlijk heeft iemand ooit geopperd dat deze Jacob van Oestvoren dezelfde is als Jacob van M(a)erlant, Merlant ligt namelijk op Oostvoorne. We laten deze gissing voor wat hij is. Interessanter is de verklaring die Herman Pleij geeft in zijn editie van deze tekst: Jacob die van voren hoest. Als deze duiding correct is, zou het kunnen dat deze grap al ten tijde van onze Jacob de ronde deed? En dat dát onze Jacob  die net als Van Vloten met iedereen over hoop lag  toen hij zijn proloog schreef op het idee van deze uitschijter bracht?


Literatuuropgave:

– Jan ten Brink, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. Amsterdam 1897, p. 92-95.
– Cd-rom Middelnederlands
– W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Middennederlandsche Dichtkunst, dl. 3. Amsterdam 1855, p. 3-163.
– P.J. Meertens, ‘Johannes van Vloten’, in: Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, deel IX. Gent 1977, p. 170-171.
– Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Amsterdam 1996.
– Herman Pleij, De Blauwe Schuit. Uitgegeven en van commentaar voorzien door  . Muiderberg 1979.
– Timothy Sodmann, Jacob van Maerlant, Historie van den Grale und Boek van Merline. Nach der Steinfurter Handschrift herausgegeben von  . Köln etc. 1980.
– J. van Vloten, Jacob van Maerlants Merlijn. Naar het eenig bekende handschrift uitgegeven door  . Leiden 1882.



Date: Tue, 20 Jun 2000 00:02:43 +0200
From: Willem Kuiper <willem.kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 0006.16: Column Willem Kuiper, no. 50:
Een Vlaming op Voorne


Naschrift: onlangs is door Geert Warnar in ‘Velthem in de Vierde Partie. De verwerking van de geleerdentraditie in het Middelnederlands' in: B. Besamusca, R. Sleiderink en G. Warnar (eds), De boeken van Velthem. Auteur, oeuvre en overlevering. Hilversum 2009, p. 119-142, m.n. 139-142 met kracht van argument beweerd dat de passage over Mascheroen en het proces over de door Jezus uit de hel ontvreemde zielen een interpolatie is van de hand van Lodewijc van Velthem.