Posts tonen met het label Mariken van Nieumeghen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mariken van Nieumeghen. Alle posts tonen

maandag 1 juli 2013

Neder-L column 12 : Het verzworen oog (2)


Een week of wat geleden heb ik u uitgelegd dat in de oorspronkelijke Mariken van Nieumeghen Moenen niet herkenbaar was als duivel. Hij moet eruit gezien hebben als een gewoon mens zonder uiterlijke kenmerken of attributen. (Net als de engelen overigens, die hebben er ook eeuwen over gedaan om vleugels te krijgen.) In de bewaard gebleven druk van Willem Vorsterman manifesteert Moenen zich als een magister artium van middelbare leeftijd annex ooglijder. In de oorspronkelijke versie hoeft dat dus niet het geval te zijn geweest. Het is heel goed mogelijk dat een vorige Moenen een knappe jongeman was, een ‘minnaar’, die met Mariken zeven vette jaren in een herberg doorbracht. Een leven in weelde, zonder arbeid, zonder verplichtingen, een leven dat Beatrijs en haar minnaar leidden. Aanvankelijk althans, totdat er kinderen kwamen. Dat biecht Mariken ook aan de paus (1034-1039):
“Vadre, die goede daghen,
’t grote ghelt ende ’t grote goet
dat hi mi dede hebben – zijt des wel vroet –
dat deet mi doen, al doet mi nu vereysen.
Ic en conde ghedincken noch ghepeysen,
hi en deet mi hebben te mijnen behoeve.”
Met andere woorden, zij had alles wat haar hartje begeerde. Mariken kon het niet bedenken of Moenen gaf het haar.

Moenens gedaanteverwisseling laat zich het best verklaren als het gevolg van het Faust-motief dat in de bewaard gebleven versie zijn intrede heeft gedaan: mens verkoopt zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis. Mariken lijkt dat te doen, zoals Eva eerder bereid leek de door God geschapen orde naar Ritzen te helpen in ruil voor wetenschap. Maar dat is een onjuiste interpretatie. De middeleeuwse Eva was niet in kennis geïnteresseerd, Mariken ook niet. Noch in de zeven vrije kunsten, noch in nigromantie (d.i. het bezweren van duivels om ze te dwingen iets voor je te doen, je bijvoorbeeld pijlsnel door de lucht van hier naar daar te brengen, of om antwoord te geven op een vraag). Onderwijs voor meisjes was een actueel onderwerp, in beginsel was dat – denk maar aan Anna Bijns – niet voor hen weggelegd. Nigromantie en tovenarij waren in het Antwerpen van het begin van de zestiende eeuw spannende, modieuze onderwerpen, lees maar eens de Historie van Malegijs of Virgilius. Van zijn leven, doot, ende vanden wonderlijcken wercken die hi dede by nigromancien, ende by dat behulpe der duvels.

De Moenen in de druk van Willem Vorsterman is dus veranderd en vertekend. Mogelijk was hij een knappe jongeling die niet herkenbaar was als duivel – en daarom was hij zo gevaarlijk! – nu is hij een man van middelbare leeftijd met een verzworen oog, en dat verzworen oog zou het bewijs van zijn duivelse natuur zijn.
     Dat laatste is niet waar, maar dat verklaart niet waarom het nu juist zijn oog is. Waar komt dat verzworen oog vandaan? In de vorige column heb ik het met u over Marikens tante gehad. Ik heb bij die gelegenheid een paar keer het woord ‘nijd’ gebruikt. Met opzet. Ik ben er namelijk van overtuigd dat de moeye geïnterpreteerd moet worden als een allegorisch personage dat woede en nijd verbeeldt. Tante is een exemplarisch nijdig wijfje. Lees maar eens wat de minnaar in het begin van de Roman van de roos over haar leert als hij haar op de muur rond de lusthof geschilderd ziet (235-278):
Naast haar trad Afgunst voor de dag,
zij die in ’t leven nooit een lach
liet horen en zich nooit verheugde,
behalve dan als zij met vreugde
vernam van anders narigheid;
niets bracht haar meer juich en jolijt
dan ongeluk en grote ramp,
vooral als ’t plaatsvond in het kamp
van ’n man van aanzien en waarde,
dat was haar grootst genot op aarde.
Haar ziel zong slechts in jubeltoon
wanneer een hooggeplaatst persoon
verviel tot schande of groot lijden.
Wist iemand zich te onderscheiden
door schranderheid of andere waarden,
dan kwetste haar dat ’t meest op aarde,
want zij was uit aanleg en aard
jaloers op elk die iets vergaart.
Afgunst is zo wreed, zo vol nijd,
zij kent geen solidariteit,
geen vriendschap met vriend of vriendin,
zelfs elke band met het gezin
verbreekt ze, maakt ze ijlings stuk:
zelfs als haar vader wat geluk
deelachtig wordt, wekt dat haar nijd.
Maar weet dan ook hoezeer zij lijdt
onder het kwaad dat uit haar welt,
want zij wordt zo door smart gekweld
als anderen weldoen, zo geplaagd,
dat ze welhaast neerstort, versaagt.
Haar trouweloos hart zit zo op slot,
dat zij zich wreekt op mens en God.
De Afgunst treft te allen tijd
de mensen met gevit, verwijt;
al ziet zij, naar men denken kan,
ooit de opmerkelijkste man
van dit land of van overzee,
dan deugt hij niet naar haar idee
en zelfs al is hij zo beschaafd
dat niets zijn aanzien ondergraaft,
dan poogt ze nog met lastertale
zijn reputatie neer te halen
en elke keer en telkens weer
iets af te knagen van zijn eer.
[De vertaling is van Ernst van Altena.]
Overtuigd? Tante misgunt hertog Arent van Gheldre zijn ontsnapping, belastert haar broer Ghijsbrecht (en Marikens moeder) en brengt (de eer van) haar nichtje in groot gevaar. Nijd (Afgunst) is herkenbaar aan haar gelaat (278-289):
’t Portret van Afgunst had, zag ik,
een waarlijk zeer gemene blik:
ze keek de mensen nooit recht aan,
maar loensend, schuins, vol eigenwaan,
slecht gemanierd en onbewogen
zag ze geen mens recht in de ogen,
maar kneep ze vol laatdunkendheid
steeds een oog dicht, ziedend van nijd
wanneer ze een persoon ontwaarde
die mooi was, vrolijk en van waarde
en die daarom ook, welgezind,
door ieder ander werd bemind.
Nijd kijkt scheel van jaloezie, de uitdrukking bestaat nog. Iemand de ogen uitsteken, is er nog zo een.
     Niet alleen in de wereldlijke Roman van de roos, maar ook in de meer geestelijke Spiegel der zonden wordt nijd (in één adem met toorn) in verband gebracht met het oog:
Men leest van enen coninc die rijc ende mechtich was ende had in sinen lande enen nydigen man wonende ende enen anderen zeer gierich, ende die coninc ontboet si beide tot hem ende seide tot hem beiden: “visiert onder u beiden soe wat die een eysschen sall, dat sal ic die ander die helfte meer doen.” Dese twee swegen lange ende hoerre geen en woude irst eysschen. Si sweghen soe lange dat die coninc toernich wart ende beval den nydigen, dat hi irst eysschen soude. Doe sprac die nijdige, datmen hem sijn een oge wt stake, opdat hij den anderen mochte schenden ende te mael blijnt werde: hi dede hem selver liever quaet, op dat die ander verdriet crege ...
[Een afgunstig man die gedwongen wordt iets te wensen dat een gierig man dubbel zal krijgen, kiest ervoor een oog te missen om de ander blind te maken]
Ik ben er niet bij geweest, ik geef het toe, maar ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. Een Antwerpse rederijker/drukker/uitgever kreeg een verhaal in handen met een hoog Roodkapje gehalte: meisje gaat boodschappen doen, haar wordt op het hart gedrukt voorzichtig te zijn, toch komt het meisje in een levensgevaarlijke situatie, maar gelukkig loopt alles goed af.
     Dit verhaal werd in fasen verbouwd om het aan te passen aan de eisen van plaats en tijd. Zo werd het volksdevotionele en Mariale aspect vervangen door het priesterlijk sacramentale, het Faust-motief, het refrein en het slot werden toegevoegd. Hoe de oer-moeye eruit gezien heeft? Op de houtsnede ziet ze er even vriendelijk en goedmoedig uit als pleegvader Ghijsbrecht. Houding en gebaar drukken alles behalve animositeit uit. Het kan haast niet anders of er is aan tante gesleuteld – is zij het slachtoffer geworden van de oude vrouwenhaat die de kop opstak? – ze lijkt wel veranderd in een allegorische twee-eenheid van de hoofdzonden toorn en nijd. De toorn blijkt uit het mes in de keel, maar waar is het oog gebleven?
     Het oog is doorgegeven aan Moenen toen die conform het veranderde duivelbeeld een uiterlijk gebrek moest gaan vertonen.
Date: Mon, 21 Nov 1994 15:13 +0100 (MET)
From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
Subject: Col: 9411.07: Column Willem Kuiper, no. 12:
Het verzworen oog (2)

Neder-L column 11 : Het mes in de keel


Als de tante van Mariken van Nieumeghen hoort dat de kasteelheer van Grave de oude hertog Arent heeft vrijgelaten, en dat hij feestelijk ontvangen is in ’s-Hertogenbosch barst zij bijkans van woede. Nu zal, vreest zij, de jonge hertog, voor wie zij partij trok, het onderspit delven. Zo onverdraaglijk is haar deze gedachte dat zij besluit een eind aan haar leven te maken. Zij neemt een “opsteker” en plant die in haar strot. Honend kijkt de duivel toe. “Partie ende nidicheyt baet der hellen menich millioen” (439), luidt zijn commentaar.

In de vierde van de negen houtsneden die de druk van Willem Vorsterman van ca. 1515 verluchten – afgedrukt in de editie-Coigneau, en in het artikel van F.W. Willemsen in Spektator 2 (1972-1973), afl. 6, p. 349-359 en 348 – zien we een vrouw op de grond zitten die zich een zwaard in de keel gestoken heeft. Op de achtergrond zien we de ziel in babygedaante door twee duivels door de lucht afgevoerd worden. Jammer dat de techniek mij niet toestaat de houtsnede hier te reproduceren.
     Wie de moeite neemt deze houtsnede te bekijken, kan zich met mij over een aantal dingen verbazen.



1) Waarom ziet de vrouw die zich van kant maakt, eruit als het meisje in de houtsneden 1, 2, 5 en 6, en niet als de vrouw in houtsnede 2 die model staat voor de tante?

2) Hoe komt de vrouw aan een zwaard?

In de tekst is sprake van een “opsteker”, zeg maar dolk. Op de houtsnede zien we iets dat meer op een zwaard lijkt. Hoe komt een vrouw (als Marikens tante?) aan een zwaard, en sinds wanneer kan zij dat hanteren?

3) Waarom is de vrouw linkshandig?

Op linkshandigheid rust gedurende de Middeleeuwen, en nog lang daarna, een taboe. Je linkerhand is je vieze hand. Met je linkerhand veeg je je reet af. Een hoofse vrouw plast door de vingers van haar linkerhand om geen geklater te laten horen, dat was dorper. Je linkerhand gebruik je voor zwarte magie. Maar zelfmoord plegen? Nee, dat doe je met je rechterhand.

4) Waarom pleegt zij op deze manier zelfmoord?

Stel u wilt zichzelf euthanaseren met een mes, hoe doet u dat? Als u het bij een poging wilt laten, snijdt u zich de polsen door. Is het u ernst dan zet u het mes op uw borst, stoot het richting hart, en valt voorover. Succes verzekerd. Kijk maar naar Floris als hij zich omwille van Blancefloer met de schrijfstift die hij van haar gekregen heeft, van het leven wil beroven. [Dat een schrijfstift daarvoor gebruikt kon worden, lezen we bij Suetonius, die beschrijft hoe Julius Caesar zich tijdens de aanslag in de senaat met zijn griffel verdedigt en iemand die hem bij zijn keel gegrepen had de pols doorboort.]

Tot op heden ben ik nog maar één ‘middeleeuwer’ tegengekomen die zich van het leven berooft door zich het mes op de keel te zetten: Pontius Pylatus. De tekst is bij mijn weten (nog) niet uitgegeven, maar staat in het Comburgse handschrift, pal na de Reynaert. Het is getiteld Van Pylatus gheborte ende sine doot. Een fabeltastisch, waar gebeurd verhaal over een koning Tyrus die in de sterren ziet dat als hij die nacht een zoon zal verwekken, die zoon een groot heerser zal worden. Vervelend genoeg is hij op reis en is zijn echtgenote niet in de buurt. Dus dan maar een andere vrouw gezocht en gevonden: Pyla, de dochter van een molenaar, Atus geheten. Omdat Tyrus na de verwekking meteen weer opstapt, zonder zijn naam bekend te maken, noemde zijn moeder het kind toen maar Pylatus.
     Op driejarige leeftijd, d.w.z. als hij van de borst is, wordt hij naar het hof gestuurd. Daar groeit hij op met zijn ongeveer even oude halfbroer. Uit nijd doodt Pylatus zijn halfbroer en voor straf wordt hij naar Rome gestuurd. Daar vermoordt hij, wederom uit nijd, de zoon van een Frans edelman die daar voor hetzelfde zat. De Romeinen besluiten hem al rechter naar het eiland Pontes te sturen. Het volk daar is zo slecht, dat alleen iemand die nog slechter is ze de baas kan. Het lukt, en zo komt hij aan zijn volledige naam, Pontius Pylatus. Hij sluit vriendschap met Herodes en staat de Joden toe Jezus uit nijd te doden.
     Om keizer Tiberius die zich over dit onschuldig gestorte bloed zou kunnen vertoornen, tevreden te stellen, stuurt hij een vertrouweling, Adroanus geheten, met schepen en geschenken naar Rome. Door een storm belandt de vloot in Galicië, te Sint Jacobs. Daar heerst de Romeinse landvoogd Vespacianus, die zijn naam dankt aan de wormen (vespa) in zijn neus. ‘Jammer’, zegt Adroanus, ‘in Jeruzalem hadden wij iemand die dat ongetwijfeld had kunnen genezen, maar die is helaas nu dood.’ Miraculeus genoeg blijkt het geloof dat deze wonderdokter hiertoe inderdaad in staat zou zijn voldoende om hem van zijn wormen te verlossen. In Rome hoort keizer Tiberius die aan lepra lijdt, ook van de Joodse gebedsgenezer, en via zijn vertrouweling Albanus, vraagt hij Pontius Pylatus hem naar Rome te sturen. Pontius houdt Albanus aan het lijntje, maar kan niet verhinderen dat deze kennis maakt met Veronica, die Jezus’ gelaat in een doek bezit. Samen gaan ze naar Rome, genezen Tiberius en vertellen wat er gebeurd is. Pontius Pylatus wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld. “Als pylatus dit verstoet doe nam hi een mes ende sneet hem seluen de storte ontwee.” (fol. 216ra).

Het zichzelf de keel doorsteken is gedurende de Middeleeuwen geen realiteit, geen zelfmoordtechniek, maar een iconografisch tafereel. Het is een verbeelding van de hoofdzonde ‘Ira’ (woede). Tante is woedend, des duivels, letterlijk en figuurlijk. Om dat te onderstrepen verhangt zij zich niet, of springt zij niet van een toren, of verdrinkt zich in de Maas (wat zij Mariken toewenst), maar steekt zij zich een mes/zwaard in de keel.

De houtsneden van Mariken van Nieumeghen vallen uiteen in twee stijlgroepen. De eerste zes zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ‘oud’. Ze illustreren gebeurtenissen te Nijmegen. De Antwerpse jaren zijn niet in beeld gebracht. De laatste drie houtsneden zijn ‘jong’. Ze horen bij de sacramentale omwerking van dit van oorsprong volksdevotionele mirakelverhaal.
     Behalve in de derde houtsnede zijn alle personen in de eerste zes linkshandig afgebeeld. De man en vrouw zwaaien het meisje vriendelijk met hun linkerhand uit, de mannen op de markt te Nieumeghen ballen hun linker vuist.
     De verklaring moet gezocht worden in de manier waarop deze houtsneden tot stand kwamen: het zijn kopieën. Een afdruk is een positief. Snijd je die na dan krijg je een negatief. Druk je dat af dan krijg je een afbeelding die spiegelbeeldig is ten opzichte van het origineel.

Maar hoe zit het dan met de derde houtsnede. Daarop zien we het meisje (Mariken?) en een man met hoorns (Moenen?). De hoorn hebben waarschijnlijk als functie de persoon in kwestie als duivel te typeren. De man steekt zijn rechterhand uit, het meisje draagt haar mandje rechts. Zoals het hoort. Hoe kan dat?
     Het kan omdat deze houtsnede uit een ander boek komt! Kijk maar naar de kleding van het meisje.



Uitgerekend deze houtsnede komt ook voor in een andere Vorsterman-druk: de prozaroman Margarieta van Lymborgh (1516). Omdat de houtsneden die Mariken van Nieumeghen illustreren ook al voorkwamen in Mary of Nemmegen, de Engelse vertaling van Jan van Doesborch – men veronderstelt dat de houtsneden van Willem Vorsterman kopieën zijn van de houtsneden van de druk van Jan van Doesborch – is men er altijd vanuit gegaan dat Willem Vorsterman zijn Margarieta van Lymborgh geïllustreerd heeft met een houtsnede uit Mariken van Nieumeghen. Daaraan dankt de Mariken ook haar datering ca. 1515, want Margarieta van Lymborgh dateert van 1516. Dat is zeker.

Kijken we nu nog eens naar die houtsnede 3. De man lijkt niets aan zijn ogen te mankeren. Links op de achtergrond zien wij bloemen ... Op de andere houtsneden komen geen bloemen voor. Vergis ik mij, of zijn het margrieten?



Date: Mon, 24 Oct 1994 13:52 +0100 (MET)

From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
Subject: Col: 9410.17: Column Willem Kuiper, no. 11:
Het mes in de keel

Neder-L column 10 : Het verzworen oog van Moenen


Een paar maanden geleden heb ik het met u gehad over de heilige Brigida, en wel naar aanleiding van de sotternie De hexe. Ik heb u toen verteld dat haar levensverhaal geen deel uitmaakt van de grootste bundel middeleeuwse heiligenlegenden, de Legenda Aurea. Dat was wel en niet waar. Strikt genomen wel, maar achterin de verschrikkelijke Latijnse editie van Graesse (Graz 1890) staat een aantal samenvattingen van heiligenlevens en daartussen zit ook het leven van de heilige Brigida van Kildare (gest. 523). Het begint als volgt:
Sancta BRIGIDA virgo religiosa, videns sibi instare tempus desponsationis, dominum rogavit, ut aliquam deformitatem sibi immitteret, ut saltem hoc modo procorum instantiam vitaret. Tunc unus oculus eius crepuit et liquefactus est in capite suo.
Wat zich in hedendaags Nederlands laat parafraseren als:
Toen de heilige BRIGIDA, een godvruchtige maagd, het moment zag naderen waarop zij aan een man gekoppeld zou worden, en zij de Heer vroeg haar te misvormen om toch eens eindelijk verlost te worden van dat gedoe van die vrijers, toen maakte Hij haar oog stuk en er kwam (voortdurend) vocht uit.
Een druipoog dus. Niet alleen onprettig om naar te kijken, maar vermoedelijk even onplezierig om te ruiken. Hoe dan ook, afdoende bescherming tegen mannelijke avances.

Het kan ook anders. Ik ken een verhaal van soortgelijk jong meisje dat omwille van haar relatie met Jezus van Nazareth het zwaard van haar vader onder diens hoofdkussen vandaan griste, dat onder haar neus plaatste en met kracht naar boven duwde, en zich zo de neus afsneed! Wij kennen nog het spreekwoord: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Gedurende de Middeleeuwen was dat maar al te waar. Had iemand iets geflikt dat voor de doodstraf in aanmerking kwam – maar zag men om wat voor reden dan ook van terechtstelling af – dan was het niet ongebruikelijk iemand van zijn neus en/of oren te beroven. Dan was zowel de persoon in kwestie als de rest van de samenleving gewaarschuwd. Of het liep met een sisser af – letterlijk wel te verstaan – het geluid dat brandmerken maakte. Een meisje zonder neus was onhuwbaar.

Niet religieus bevlogen maagden hanteerden stank als wapen om zich de mannen van het lijf te houden. Zo vertelt de Benedictijnse monnik Paulus Diaconus (ca 720-ca 799) in zijn Historia Longobardorum hoe de kuise dochters van de ontuchtige Romilda kipkluifjes tussen hun borsten stopten wat na een paar dagen zo godallemachtig ging stinken, dat toen de Avaren zich aan hen wilden vergrijpen, hun neus het van hun lust won. Deze truc treffen we ook aan in de van oorsprong Franse, laat-middeleeuwse prozaroman Paris et Vienne, die in eigen land zo onbekend is dat hij ontbreekt in het prachtige Dictionnaire des Lettres Françaises (Le Moyen Age). Hadden wij ook maar zo’n boek. De Goudse incunabeldrukker Gerard Leeu heeft hem vertaald in het Hollands. De roman is (nog) onuitgegeven.
     Vienne mag niet trouwen met de man waarmee ze wil, en wil niet trouwen met de man waarmee ze moet. Ze wendt voor ongeneeslijk ziek te zijn en al in een terminaal stadium te verkeren. Om dit kracht bij te zetten loopt ze met kippepootjes onder haar oksels. Als haar ‘verloofde’ haar komt opzoeken, omdat hij het niet vertrouwt, gaat hij bijna van zijn graat en hoeft niet meer.

Door dat druipoog van Brigida moest ik aan Moenen denken, de bekendste duivel uit de Middelnederlandse literatuur. Moenen die niet alleen Mariken een rad voor ogen draaide, maar ook nu nog slachtoffers maakt. Dankzij Moenen denken ‘wij’ dat duivels zich niet als mens kunnen vermommen zonder een gebrek te vertonen. Ik las het onlangs weer eens in de Volkskrant ...
     Welnu, dat is dus niet waar. Dat kan Moenen nu wel zeggen dat zij geesten de macht verloren hebben om zich te volmaken (ed. Coigneau, p. 67), maar in andere middeleeuwse verhalen is daar niets van te merken. Integendeel, de gelijkenis is perfect. De duivel kan niet alleen de gedaante van een man of vrouw aannemen, maar ook die van een engel, ja zelfs van Maria, zijn grootste vijand. Ik ken geen (Middelnederlandse) teksten ouder dan Mariken van Nieumeghen, waarin de duivel een gebrek vertoont.
     In de Legenda Aurea wemelt het van de duivels. Je kunt bij wijze van spreken geen deur dicht doen of er zit een duivel tussen. En al die duivels zijn, als ze dat willen, puntgaaf en recht van lijf en leden. Van zichzelf is de duivel foeilelijk (zijn uiterlijk is afgeleid van de Griekse herdersgod Pan) en soms gebruikt hij die lelijkheid om ons angst aan te jagen, om ons dood te schrikken, in de hoop dat wij op dat moment in staat van (dood)zonde verkeren. Maar aan Jupiter (en andere antieke goden die gedurende de Middeleeuwen via afgoden in duivels veranderen) dankt hij het vermogen tot metamorfose. En als Jupiter zich in een stier verandert om Europa te verschalken of in een zwaan om Leda te beminnen dan is er niets mis aan die stier of zwaan. Integendeel!
     Under cover is de duivel nog gevaarlijker dan in zijn ware gedaante. Soms is hij als knappe jonge man vermomd, veel vaker als een mooie jonge vrouw. Want HET wapen van de duivel is de wellust die de mens in zich draagt en die door de confrontatie met lichamelijke schoonheid o zo makkelijk geactiveerd kan worden. Waartegen ook koning David, koning Salomon, en de zelfs wijze Aristotiles niet opgewassen bleken.

Daarom is het zo bijzonder dat Moenen een oog heeft “die is of si mi uut waer ghesworen”. Het maakt hem exemplarisch onaantrekkelijk en daarmee ongeloofwaardig.
     Mijn verklaring was (en is) dat Moenen niet zo zeer uit is op Mariken, als wel Mariken gebruikt als wapen tegen anderen. Moenen doet dat in een herberg, een duivelse plek op aarde. Dat drank ontremmend werkt, was Moenen bekend. Het publiek van Mariken van Nieumeghen ook. Denk maar aan wat de kluizenaar Jan van Beverley overkwam. Deze brave heremiet was zo godvruchtig dat het de duivel te machtig werd. Hij nam de gedaante van een engel Gods aan en vermaande Jan niet net zo heilig als zijn Heer te willen zijn. Hij moest op zijn minst één zonde begaan. Hij mocht kiezen uit: 1) iemand vermoorden; 2) een vrouw bekennen; 3) dronken worden. Jan koos voor het laatste ...
     Maar wat gebeurt? Terwijl Jan dronken is, komt zijn zuster hem opzoeken. Hij verkracht haar, en als hij zich realiseert wat hij gedaan heeft, maakt hij haar van kant. Zo zie je maar.

Moenen exploiteert Mariken door met haar een exemplarisch ongelijke verhouding te hebben. Zij een mooi jong meisje, hij een lelijke man die haar vader had kunnen zijn. Dat kan geen zuivere koffie zijn. ‘Male quesite male perdite’ denken de gasten in de herberg In de Gulden Boom, maar vervolgens richt hun agressie zich tegen elkaar en vallen er dagelijks doden en gewonden.
     In ‘Mariken van Nieumeghen, een gerenoveerd Maria-mirakel’ (Spektator 15, (1985-1986), p. 249-267) interpreteerde ik het verzworen oog als een variatie op het manke been van Vulcanus, de ongelijke echtgenoot van Venus. Het maakte hem lelijk. Niets meer en niets minder. Nu twijfel ik.

Aan het slot van Mariken van Nieumeghen, in haar biecht, bekent Mariken de paus als man en vrouw met Moenen geleefd te hebben. Tot op heden heb ik dat altijd geloofd. Niet omdat ik het slot voor oorspronkelijk houd. Het slot is apocrief. Dat hebben anderen voor mij beweerd, mede naar aanleiding van de houtsneden, en zij die dat beweerd hebben, hebben gelijk. Het slot is apocrief. De oorspronkelijke Mariken eindigde met de val op het marktplein. Het weigeren van de biecht en de tocht naar Rome is er later aan toegevoegd.
     De reden dat de biecht geweigerd wordt, is Marikens bekentenis als man en vrouw met Moenen samengeleefd te hebben. Zo’n zonde is zo zwaar, daar durft zelfs de paus geen absolutie voor te geven.
     Mariken geeft weliswaar toe dat zij al die tijd geweten heeft dat Moenen een duivel was – de Engelse bewerking is hierin nog explicieter – maar dat klopt niet met de logica van dit type teksten: Mariken voelde wel nattigheid maar had geen zekerheid. Het is een schoolvoorbeeld van dramatische ironie, het poppenkasteffect. De kinderen zien wat een van de poppen niet ziet en zetten het op een brullen: pas op, achter je, hij wil je slaan, enz. En de pop doet net alsof hij de kinderen niet hoort, om op het laatste moment gevolg aan hun gegil te geven.
     Met Mariken gaat het net zo. Iedereen weet dat Moenen de duivel is. Hij zegt het zelf. Dat hij horens draagt op de houtsnede bewijst niets. Die zijn er naderhand bijgesneden om hem toch vooral maar als duivel aan te wijzen. Nee, Mariken weet niet wat iedereen weet, namelijk dat Moenen een duivel is. Zeven jaar lang balanceert zij tussen leven en dood door enerzijds haar hoop niet op God te vestigen en anderzijds – dankzij Maria – door zich niet volledig aan Moenen over te leveren. Dankzij Maria en dankzij het verzworen oog! Ik kan me vergissen, maar stel dat Moenens verzworen oog nu eens op dezelfde manier functioneert als het oog van Brigida? Dat zou betekenen dat de verhouding tussen Mariken en Moenen niet als man en vrouw was. Dat Moenen zich wel in jonsten WILDE versamen met Mariken, maar dat het er door dat verzworen oog (net) niet van kwam. Zou dat – naast het gebed van de professional oom Ghijsbrecht – de verklaring zijn dat Mariken zeven jaar lang langs de rand van de afgrond liep zonder erin te vallen?



Date: Mon, 12 Sep 1994 14:11 +0100 (MET)
From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
Subject: Col: 9409.09: Column Willem Kuiper, no. 10:
Het verzworen oog van Moenen