maandag 1 juli 2013

Neder-L column 22 : Over vrouwen en vriendinnen


Het is lente in Limborch als hertog Otto besluit een jachtpartij te organiseren om zijn zestienjarige zoon Heinric in de gelegenheid te stellen haantje de voorste te spelen. Ook Margriete, zijn dertienjarige dochter mag mee. Als toeschouwster welteverstaan, jagen is mannenwerk. Tot zover niks bijzonders. De honden worden ontkoppeld, pakken het spoor van een hert op, en zetten het op een lopen, het grote bos in. En de hele meute daar joelend en vloekend zo rap mogelijk achteraan. Wiens hazewind het hert doodt, heeft gewonnen.
     Margriete, die als net meisje, met beide beentjes aan een kant van het paard zit – de amazonezit – kan het tempo onmogelijk volgen en verdwaalt hopeloos als zij in haar eentje de weg terug tracht te vinden. Reeds valt de avond. Als ze eindelijk een plek gevonden denkt te hebben waar ze veilig kan overnachten wordt ze aangevallen door een wilde beer. Gelukkig kan ze bijtijds een boom in vluchten zodat niet zij, maar haar trouwe viervoeter opgegeten wordt. De nacht brengt zij biddend en wakend door.
     ’s Ochtends vroeg hoort zij een medemens zijn nood klagen. Het is een koopman wiens kar met handel door struikrovers is afgepakt. Margriete roept hem aan en slaagt erin de stakker ervan te overtuigen dat wat hem is overkomen weliswaar heel erg is, maar dat wat haar is overkomen nog veel ergerder is. De koopman laat zich overtuigen. Hij zet zijn eigen sores aan de kant en gaat met haar op pad.
     Helaas, elke stap die zij zetten is er een de verkeerde kant op. Wat heet! Ze vallen in handen van duivels die eruit zien als een stelletje vrolijke jonge lieden dat een rijtoer maakt. Terwijl Margriete en de koopman hun slaapachterstand inhalen, rijdt de wagen met een rotgang de zuiderzon tegemoet.
     ’s Avonds arriveren ze bij een fantoomkasteel dat door duivels in mensengedaante bevolkt wordt. De aanslag op Margrietes eerbaarheid mislukt als zij gewoontegetrouw een kruisteken slaat en daarmee een eind aan alle illusie maakt.
     Daar zitten ze dan, in een onbekend land. Hee, daar heb je de zee! Terwijl de koopman op zoek gaat naar een autochtoon die hen kan vertellen waar ze zitten, landt een sloep en wordt Margriete meegenomen. Het schip zet koers naar Athene en daar wordt ze bij wijze van inkomstenbelasting opgeëist door de graaf, die besluit dit prachtige meisje als dienstmaagd aan zijn vrouw cadeau te doen.
     Margriete vindt het voorlopig best. Ze is veilig. Natuurlijk vertelt ze niet dat zij van hoge adel is – dat vraagt om misbruik – maar ze wendt voor de dochter van de arme koopman te zijn die alleen achterbleef.
     Maar hoe low profile Margriete zich ook opstelt, haar verschijning brengt het hoofd op hol van Echites, de zoon van de graaf. En hij maakt daar geen geheim van. In een tête-à-tête dat sterk doet denken aan de dialoog tussen Mennoen en Pollexine in Seghers Prieel van Troyen, verklaart hij haar zijn liefde en vraagt om ‘troost’.
     Margriete die goed genoeg is voorgelicht om te weten wat Echites met ‘troost’ bedoelt, gaat hier niet op in. Ze is niet hoog genoeg om zijn ‘wijf’ te zijn, zegt ze, en ze voelt er niets voor zijn ‘amie’ te worden.
     Echites laat zich hierdoor echter niet ontmoedigen en blijft Margriete als een schaduw volgen. Totdat zijn moeder het getortel beu wordt en hem streng tot de orde roept. Zo vast is zij ervan overtuigd dat dit vreemde meisje een tovenares is, dat ze haar zoon met een smoesje uit logeren stuurt en van diens afwezigheid gebruik maakt om Margriete op de brandstapel te zetten.

Deze beginpassage van de Roman van Heinric en Margriete van Limborch op creatieve wijze gejat door de auteur van de (drie) abele spelen. In Lanseloet van Denemerken zien wij hoe de zoon des huizes aan hormoonstuwingen lijdt van wege Sanderijn, een meisje uit het gevolg van zijn moeder.
     Als Lanseloet haar zijn liefde verklaart en om ‘raet’ vraagt, krijgt ook hij als antwoord dat zij veel te laag geboren is om zijn ‘wijf’ te kunnen zijn en dat ze ervoor past iemands ‘vriendinne’ te zijn.
     In Op belofte van profijt [Amsterdam 1991] hebben Herman Pleij en Orlanda Lie Lanseloet van Denemerken geïnterpreteerd als exemplarisch voor een nieuwe, stedelijke huwelijksmoraal. Konden in oudere romans gelieven elkaar gerieven buiten het huwelijk om, nu mag dat niet meer.
     Om een lang verhaal kort te maken: ik geloof daar niets van. Echites wil helemaal niet huwen met Margriete als hij haar zijn liefde verklaart en om troost vraagt. Evenmin als Lanseloet met Sanderijn wil trouwen. Geen sprake van. Het huwelijksaanzoek dat Reynout haar naderhand zal overbrengen is Wiedergutmachung, een heilloze poging zijn zondeval ongedaan te maken.
     Beide jongeheren willen helemaal niet huwen. Ben je gek. Ze willen zich zorgeloos, eindeloos en mateloos overgeven aan de geneugten van het vlees. Zoals Erec dat met Enide deed in de gelijknamige roman. [Dit lijkt een slecht voorbeeld omdat Erec en Enide gehuwd waren, maar de kneep zit hem er nu juist in dat Erec Enide niet als zijn echtgenote maar als zijn geliefde behandelde.] Echites en Lanseloet begeren het object van hun liefde als minnares, niet als echtgenote. Huwelijkse zaken, daar gaan de ouders over. Vrouw (wijf) betekent hier zoveel als door het hof geaccepteerd. Vriendin (amie) betekent dat de verhouding door het standsverschil in het openbaar not done was.
     Wat beide meisjes hun vrijers proberen uit te leggen is dat zij te ongelijk zijn voor een normale buitenechtelijke relatie. Het hof van Athene noch het hof van Denemerken zouden accepteren dat hun kroonprins er als geliefde een meisje uit het gevolg van zijn moeder op na houdt.

Stel je het omgekeerde voor, een meisje uit de Balkan raakt in Nederland verzeild – laten we haar voor het gemak Tatjana noemen – en krijgt door een speling van het lot een baan aangeboden bij de bewaking van het koninklijk paleis Huis ten Bosch. Toevallig komt onze kroonprins langs, hij ziet haar, en denkt *.*! Je denkt toch niet dat hij Tatjana mee mag nemen op staatsbezoek of dat zijn moeder het leuk vindt als hij met haar in de sauna wordt gefotografeerd?
     Zo ongeveer denken dus ook de moeders van Echites en Lanseloet erover, en niemand die dat gek vindt.

Dat ik dit ter sprake breng komt door de nieuwe editie van dit abele spel [Amsterdam 1995] door de Groningse hoogleraar Hans van Dijk. In zijn woordverklaring neemt hij een suggestie over van mijn Leidse collega’s Wim van Anrooij en Remco Sleiderink: ‘Averne’ – Sanderijns vader is volgens haar zeggen schildknaap van de koning van Averne – zou niet ‘Auvergne’ in Frankrijk zijn maar ‘Navarra’ in Spanje. Zij hebben in heraldieke teksten contaminatie van Averne en Navarra aangetroffen, en kiezen – omdat Auvergne geen koninkrijk is en Navarra wel – ervoor Sanderijns vader in Spaanse dienst te laten strijden.
     Door mijn werk aan het Repertorium van Middelnederlandse Eigennamen ben ik enigszins vertrouwd met de materie. Namen kunnen inderdaad de raarste verbasteringen ondergaan. Zo houd ikzelf ‘Lanseloet vander Merken’ voor mogelijk – maar niet meer dan dat – dat is de Middelnederlandse vertaling van La Marche, een regio in Frankrijk die aan Auvergne grenst.
     Dat Averne volgens de Oosthoek encyclopedie geen koninkrijk is, zegt me niet zo veel. Auvergne was ten tijde van de abele spelen eigendom van de Franse kroon en werd in 1360 in leen gegeven aan Jean III, de fameuze hertog van Berry en Auvergne. Jean III (1340-1416) was zoon (van Jan II, le Bon), broer (van Charles V) en oom (van Charles VI) van een Franse koning, en tijdens de krankzinnigheid van Charles VI diens plaatsvervanger. De staat die hij voerde was meer dan royaal.

Tijdens de Honderdjarige Oorlog komt Jean definitief in het bezit van de Poitou en daarmee van het slot te Lusignan, het kasteel dat door de fee Melusine gebouwd zou zijn en waarop een vloek rustte: het bleef niet langer dan dertig jaar in dezelfde handen, en bij een wisseling van eigenaar zou Melusine verschijnen.
     Jean die dit in 1392-1393 door Jean d’Arras had laten uitzoeken en te boek stellen, wil het met eigen ogen aanschouwen. Aan het slot van de ‘historie’ brengt Jean daarom de nacht door op het bewuste kasteel en inderdaad, hij ziet Melusine in haar gedaante van ‘alvinne’: boven de navel een vrouw en daaronder een serpent.
     En niet alleen Jean, ook de vrouw die het bed met hem deelt. Nee, niet zijn echtgenote, maar een bijvrouw, een minnares, een maîtresse. Hoe haar naam luidt? Zandrine...


Date: Mon, 15 Jan 1996 16:47:05 +0100 (MET)
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@let.UVA.NL>
Subject: Col: 9601.11: Column Willem Kuiper, no. 22:
Over vrouwen en vriendinnen

Geen opmerkingen:

Een reactie posten